spacer
header
Home
Welkom
Zoekindex
Actueel nieuws
Berichten en opinies
Nieuwsbrief artikelen
Standpunten
Kennisdomein
Belangrijke procedures
Vereniging VOLE
Luchthaven Eelde
Contact met VOLE
Klachtenbehandeling
Downloads
Cartoons
Links
Zoeken
 
Home arrow Kennisdomein arrow Opinieonderzoek-2006 geeft oppervlakkig en vertekend beeld van mening omwonenden Luchthaven Eelde

Opinieonderzoek-2006 geeft oppervlakkig en vertekend beeld van mening omwonenden Luchthaven Eelde
Geschreven door dr. C.A.J.Vlek   
dinsdag 10 oktober 2006

OPINIEONDERZOEK-2006 GEEFT OPPERVLAKKIG EN VERTEKEND BEELD

VAN MENING OMWONENDEN LUCHTHAVEN EELDE


Beoordeling van het rapport “Attitudeonderzoek Groningen Airport Eelde”
Auteurs: E. C. van Veluwen en prof dr. T. H. A. Bijmolt
Uitgave: Rijksuniversiteit Groningen (RuG), Faculteit Economische Wetenschappen,
Vakgroep Marktkunde en Marktonderzoek, september 2006, 32 blzn met 6 bijlagen


Samenvatting
Uitgaande van de gebruikte vragenlijst en de beperkte gegevensanalyse kan men stellen dat het ’Attitudeonderzoek Groningen Airport Eelde’ bij 500 omwonenden van de luchthaven (overigens) ordentelijk is uitgevoerd. Opmerkelijk is dat de lijst van 27 enquêtevragen en de inleiding van het rapport het gezichtspunt weerspiegelen van de opdrachtgever, GAE zelf. Mede door de ’snelle’ aanpak en uitvoering van het (telefonische) onderzoek is daardoor waarschijnlijk een beperkt en eenzijdig-positief beeld ontstaan van de meningen van omwonenden over GAE en zijn eventuele baanverlenging. De tekortkomingen betreffen: (a) een waarschijnlijk aangereikte neiging tot positieve beantwoording, (b) on-logica van veronderstelde attitudeverandering na beknopte informatieverstrekking, (c) waarschijnlijk ondoordacht-snelle antwoorden op cruciale attitudevragen, (d) onvolledige, twijfelachtige en misleidende informatieverstrekking omtrent baanverlenging, en (e) mogelijk opgedrongen acceptatie van groeiende omgevingsbelasting. Gezien de GAE-insteek en diverse tekortkomingen van het onderzoek lijkt er vooralsnog weinig grond voor de conclusie (van GAE) dat er een kentering plaats vindt in de houding van omwonenden ten aanzien van de luchthaven en de eventuele baanverlenging.

Inleiding
Onlangs werd bovengenoemd RuG/FEW-rapport gepubliceerd tezamen met een persbericht van Groningen Airport Eelde (GAE). De voornaamste conclusies uit rapport en persbericht werden overgenomen in enkele noordelijke krantenberichten. De teneur van de berichtgeving was dat de ervaren geluidhinder van de luchthaven was verminderd en dat circa twee derden van alle 500 ondervraagde omwonenden positiever waren gaan denken over GAE en over de plannen tot baanverlenging, in vergelijking tot de conclusies uit een TNO-rapport (1999) over een soortgelijk belevingsonderzoek rondom GAE, uitgevoerd in 1998.
In het kader van de langdurige en controversiële discussie en besluitvorming over een eventuele baanverlenging op GAE is het zinvol om dit rapport op zijn wetenschappelijke mérites te beoordelen. Een beschouwenswaardige vraag is ook welke betekenis kan worden gehecht aan de onderzoeksconclusies, in verband met de besluitvorming over baanverlenging, waartegen dit jaar diverse beroepen zijn ingesteld bij de Raad van State.
Deze beoordeling is opgesteld mede op verzoek van enkele (andere) betrokken partijen rondom de GAE-besluitvorming en zal ter informatie tevens worden toegezonden aan de directie van GAE, de Commissie Milieuhygiene Luchtvaartterrein Eelde en de bovengenoemde auteurs. In het navolgende wordt eerst de kwaliteit van de rapportage beschouwd. Vervolgens worden de onderzoeksopzet en de gebruikte vragenlijst onder de loep genomen. Tenslotte wordt een aantal conclusies samengevat en wordt de mogelijke betekenis besproken van de onderzoeksconclusies voor de (verdere) besluitvorming over GAE.

De verslaggeving over het onderzoek
Dit RuG/FEW-rapport betreft een eenvoudig telefonisch enquête-onderzoek bij 500 willekeurig gekozen respondenten in drie onderscheiden gebieden (‘controle-’, ‘buiten-’ en ‘binnenzone’) rondom GAE. Het onderzoek is volstrekt atheoretisch van karakter; niet duidelijk wordt welk stuk economische wetenschap middels dit onderzoek wordt getoetst en/of verder ontwikkeld.


Gegeven de gebruikte lijst van in totaal 27 enquêtevragen (zie volgende paragraaf) wordt in het RuG/FEW-rapport netjes verslag gedaan van de resultaten van rechttoe-rechtaan gegevensanalyses die niet verder gaan dan percentages en/of aantallen respondenten die bepaalde antwoordmogelijkheden hebben gekozen. De totale groep van 500 respondenten wordt uiteraard ingedeeld volgens ‘zone’. Ook wordt onderscheid gemaakt tussen gebruikers (ca. 16%) en niet-gebruikers van GAE; de gebruikers uiten zich positiever over GAE dan de niet-gebruikers. Verder worden echter geen samenhangen (correlaties of meervoudige-correlatiecoëfficienten) gerapporteerd tussen gemeten variabelen (b.v. tussen opleiding en luchthavenkennis) dan wel tussen diverse voorspellervariabelen (b.v. woontevredenheid, nabijheid tot GAE, leeftijd, kennis) enerzijds en belangrijke criterium-variabelen anderzijds, zoals de houding ten aanzien van GAE en de mening over een eventuele baanverlenging. Daarmee had meer inzicht kunnen worden verkregen in onderlinge verbanden tussen gemeten variabelen. Nu blijft het resultatenverslag een zeer eenvoudige beschrijvende aangelegenheid, waarbij niets wordt verklaard of voorspeld.
Uit het rapport blijkt dat GAE zelf de opdracht voor dit onderzoek heeft verstrekt. Op p. 5 staat: “De probleemstelling van dit onderzoek is daarom: Hoe is de houding van de omgeving ten opzichte van Groningen Airport Eelde en in het bijzonder ten aanzien van de baanverlenging?” Omdat GAE echter een sterk belanghebbende partij is in de lopende besluitvorming over de eventuele baanverlenging zou men verwachten dat de onderzoekers zich hebben laten adviseren door een van GAE onafhankelijke begeleidingscommissie, die vooral de evenwichtigheid, volledigheid en wetenschappelijke kwaliteit van het onderzoek zou hebben helpen waarborgen. Bij navraag heeft de onderzoeksleider meegedeeld dat er geen onafhankelijke begeleidingscommissie is geweest. Daardoor moet worden aangenomen dat de onderzoeksopzet, de gebruikte vragenlijst, de gegevensanalyse en het eindverslag tot stand zijn gekomen in overleg tussen onderzoekers en opdrachtgever (GAE). Het rapport biedt hieromtrent geen verantwoording.
Gezien de jarenlange controversiële discussie over nut en noodzaak van baanverlenging op GAE is de toonzetting van dit wetenschappelijke verslag opmerkelijk. Op p. 4 wordt gesteld: “Uit onderzoek van Buck Consultants uit 2005 blijkt dat regionale luchthavens van grote invloed zijn op de regionale economie. (..) De beoogde verlenging van de start- en landingsbaan is dus van groot belang voor de toekomstige ontwikkeling van de luchthaven” (p. 4). In de Samenvatting (p.2) staat: ”.. baanverlenging geeft niet alleen Groningen Airport Eelde maar ook de hele regionale economie van Noord-Nederland een belangrijke impuls.” De onderzoekers hebben hiermee een bekende, ietwat zelfgerichte zienswijze van GAE overgenomen, die door andere betrokken partijen sterk wordt betwijfeld en door hen ook juridisch wordt aangevochten.1

_______________________
1 Het rapport van Buck-2005 gaat specifiek over GAE en dus niet over regionale luchthavens in het algemeen, is grotendeels gebaseerd op gegevens van GAE zelf en is sterk bekritiseerd in verband met diverse implausibele aannamen alsook enkele inconsistenties. Uit eerdere rapporten (o.m. ook van Buck, 1999) blijkt dat juist voor GAE het positieve verband tussen vliegveld en regionale economie niet overtuigend is aangetoond. Ook het maatschappelijk belang van een eventuele baanverlenging wordt door andere partijen sterk aangevochten en is door de Raad van State (nog) niet erkend.


Onderzoeksopzet en gebruikte vragenlijst
Keuze van respondenten
Gezien de onderzoeksopdracht ligt de keuze van de drie onderzoeksgebieden: controlegebied (op afstand van GAE; 100 personen), buitenzone (langwerpig, langs aan- en uitvliegroutes van GAE; 200 personen) en binnenzone (directe omgeving van GAE; 200 personen) voor de hand.
Dat daarnaast leeftijd (tenminste 18 jaar), opleiding en gezinssamenstelling van respondenten werden geregistreerd heeft blijkbaar uitsluitend tot doel gehad om vast te stellen met wat voor mensen men feitelijk van doen had en of de drie groepen respondenten (in de onderscheiden
zones) niet aanmerkelijk van elkaar verschilden. Dit bleek niet of nauwelijks het geval te zijn zodat het onderzoek in dit opzicht evenwichtig kan worden genoemd.
De ruwe gegevens van 500 respondenten werden verzameld door middel van een onaangekondigde telefonische enquête aan de hand van een lijst met 27 vragen. In grote lijnen volgt deze vragenlijst de opzet van het (monelinge) interview dat in 1998 door TNO Preventie en Gezondheid is gebruikt in hun toenmalige belevingsonderzoek (gerapporteerd in 1999). Over details van de vragenlijst is geadviseerd door de feitelijke dataverzamelaars (een Gronings
enquêteringsbureau).
Respondenten werd in het vooruitzicht gesteld dat het telefonisch vraaggesprek ongeveer 10 minuten zou duren. In de praktijk zal dit, bij 27 vragen waaronder enkele lastige ‘denkers’, gemakkelijk 15 à 20 minuten hebben kunnen zijn. Overigens ontbreekt in het rapport een passage over het gemak of ongemak en de duur van de telefonische gegevensverzameling.
Ook het totale aantal in eerste instantie benaderde personen wordt niet aangegeven. Daardoor ontbreekt een beeld van het aantal weigeraars c.q. niet-beschikbare personen (de zgn non-response) en de redenen van hun non-participatie. Niet uitgesloten kan worden dat het onderzoek feitelijk is gebaseerd op een ietwat selectieve steekproef van mensen die hun kortstondige medewerking aan de telefoon toezegden omdat ze al bij voorbaat sympathiek tegenover GAE staan of stonden; het is mogelijk dat weigeraars (met diverse redenen of voorwendsels) minder geneigd waren om hun negatieve standpunt tegenover een vreemde enquêteur tot uiting te brengen.

De gebruikte vragenlijst
In een enquête-onderzoek van het onderhavige soort (dus ook ‘TNO-1998’) ligt een aantal vragen voor de hand. Het is passend dat wordt begonnen met een vraag (no. 1) over de kwaliteit van de leefomgeving en diverse vragen over de ervaren voor- en nadelen van de woonomgeving (nrs. 2-7) en dat aldus geleidelijk wordt ingezoomed op GAE zelf en de eventuele baanverlenging (nrs. 8-24). Ook de vragen 25-27 aan het eind van de lijst liggen voor de hand; zij leveren materiaal voor een nadere karakterisering van de steekproef en ze bieden de mogelijkheid om verbanden te leggen tussen respondentkenmerken en antwoorden op meer probleeminhoudelijke vragen.
Gezien motief en doel van dit onderzoek verdienen vooral de vragen 8-24 nadere aandacht.
Dan valt te concluderen dat de tendens, de logica en de beantwoordbaarheid van diverse vragen te wensen over laten. De volgende tekortkomingen kunnen worden genoemd.

Positiviteitsneiging
De kernvragen 8, 9, 14, 17, 20 en 24 bergen het risico in zich van een a.h.w. aangereikte neiging tot positieve beantwoording. Immers, volgens de vragenlijst wordt door de enquêteur steeds begonnen met het noemen van de antwoordmogelijkheden ‘zeer positief’ en ‘positief’; de respondent kan het sociaal wenselijk hebben geacht om zich tegenover de
onbekende enquêteur positief of welwillend uit te drukken; en zo’n positiviteitsneiging kan zijn versterkt door de snelheid (“binnen 10 minuten”) waarmee de vragen moesten worden beantwoord. Bovendien zijn de stellingen in de attitudevragen 9 (noodzaak regionale luchthaven), 17 (voorkeur baanverlenging) en 24 (acceptatie groeiende overlast) positief geformuleerd; niet onaannemelijk is dat men onder enige tijdsdruk gemakkelijker zegt het ‘eens’ dan ‘oneens’ te zijn met stellingen die door een vreemde enquêteur worden voorgehouden.

On-logica van veronderstelde attitudeverandering
In vraag 14 wordt feitelijk vraag 8 herhaald (“Wat is uw houding ten aanzien van Groningen Airport Eelde?”), maar nu nadat enkele gegevens zijn verstrekt over openingstijden en aantallen ‘grote’ en ‘kleine’ vliegtuigbewegingen,
vakantiebestemmingen en arbeidsplaatsen op GAE. De logica van de (enigszins naïeve) 2 vraag 14
____________________
2 Eventuele attitudeverandering (het is altijd afwachten) over een strategische keuzemogelijkheid vergt een op het keuzeprobleem toegespitste, degelijke informatievoorziening en nadere discussie, waardoor de belangrijkste relevante gegevens en argumenten voor en tegen de gepresenteerde keuzemogelijkheid goed tot de respondent kunnen doordringen.

is onhelder: waarom zou een respondent in het licht van de verstrekte informatie positiever of negatiever over GAE gaan denken? Het is niet verwonderlijk dat bij het merendeel der respondenten geen attitudeverandering werd gemeten; dat iets meer respondenten zich, gegeven de informatie, positiever dan negatiever uitspraken is waarschijnlijk geheel toe te schrijven aan de eerder genoemde positiviteitsneiging die via de enquête a.h.w. werd aangereikt

‘Quick and dirty’ antwoorden op ‘hamvragen’ 9 en 17?
Op de stelling in vraag 9 (“Voor de economische ontwikkeling van het Noorden is een regionale luchthaven noodzakelijk”) en die in vraag 17 (“Ik ben er voor dat de baan van Groningen Airport Eelde verlengd wordt van 1800 naar 2500 meter”) is niet gemakkelijk terstond te reageren. De noodzaak van een regionale luchthaven en de wenselijkheid van eventuele baanverlenging krijgen pas betekenis wanneer ze zijn gebaseerd op belangrijke en duidelijke gegevens en argumenten. Het probleem bij de interpretatie van de nu verkregen enquête-antwoorden is dat de beschikbare basisgegevens en de argumenten vóór ‘noodzaak’ respectievelijk ‘baanverlenging’ onduidelijk en/of (zeer)
discutabel zijn. Mededelingen hierover aan respondenten zijn in dit onderzoek achterwege gebleven; dit is te beschouwen als een significante omissie.

Onvolledige, twijfelachtige en misleidende informatie bij vraag 20
Wat hiervóór (bij ‘On-logica ..’) werd opgemerkt over vragen 8 en 14 (houding t.a.v. GAE) geldt eveneens voor vragen 17 en 20 (voorkeur voor baanverlenging). Aan de antwoorden is dit ook af te zien. Zeer weinig respondenten veranderden van mening na de verstrekking van “enkele feiten” omtrent de baanverlenging. De geringe meningsveranderingen waren eerder positief dan negatief, maar dit kleine effect kan waarschijnlijk geheel worden toegeschreven aan de eerder genoemde positiviteitsneiging die middels de enquête a.h.w. werd opgeroepen. Bij vraag 20 is de response-situatie echter veel indringender dan bij vraag 14 hierboven. De voorafgaand aan vraag 20 verstrekte informatie is onvolledig, twijfelachtig en op onderdelen zelfs misleidend. In de rapporttekst op p. 24 wordt gesproken van ”de feiten” (over de baanverlenging); in de conclusies (p. 30) wordt gesproken van “een aantal feiten”. Met de op p. 40 (in de vragenlijst) verstrekte gegevens wordt echter voorbij gegaan aan:

  • de mogelijkheid dat in de toekomst na baanverlenging de openingstijden van de luchthaven wél (geleidelijk) worden verruimd;
  • het feit dat het aantal vliegbewegingen de afgelopen 5 jaar is verminderd zodat er, met of zonder baanverlenging, aanzienlijk méér geluidsbelasting (en meer luchtverontreiniging met geurhinder) kan ontstaan wanneer de vigerende ‘geluidsruimte’ volledig wordt benut, hetgeen thans niet het geval is;
  • het feit dat de exploitatiescenario’s van GAE sinds jaar en dag nogal optimistisch zijn, zodat de in de informatie genoemde ontwikkelingen van vakantie- en chartervluchten in feite misschien niét of veel minder zullen plaats vinden;
  • de grote onzekerheid die er in verband met het hierboven genoemde bestaat over de groei van het aantal arbeidsplaatsen en de daaraan gekoppelde “belangrijke impuls voor de werkgelegenheid en de economie” (p. 40);
  • de met baanverlenging onvermijdelijk gepaard gaande landschapsvernietiging en de ook volgens GAE zelf (zie hun Business Plan 2003) nog zeer langdurige verliessituatie (ook na baanverlenging), met de vooralsnog blijvende kosten voor de belastingbetaler.
    De bij vraag 20 gepresenteerde “feiten” over de toekomst van GAE geven dus geen volledig, evenwichtig en correct beeld van de huidige en de waarschijnlijke toekomstige situatie. De onderzoekers hadden er verstandig aan gedaan om juist deze (maar ook andere), uit de
    boezem van GAE komende informatie te controleren op juistheid, volledigheid en evenwichtigheid.

Zoals het nu werd gepresenteerd kan die informatie aan respondenten alleen maar hebben bijgedragen tot het geven van een overmatig positief antwoord op vraag 20.

Opgedrongen acceptatie van overlast?
Ook vraag 24 (over bereidheid tot overlastacceptatie vanwege belang van GAE en economische groei) heeft een insteek waardoor een positief antwoord door de respondent moeilijker kon worden vermeden dan een negatief antwoord. Beide onderdelen van de stelling in vraag 24 roepen vragen op, respectievelijk over het maatschappelijk belang van GAE en over de aard van gewenste economische groei, maar juist het verband tussen die twee is nogal suggestief en kan de vraag oproepen: ”Groeit de noordelijke economie ook, of zou ze misschien zelfs beter groeien, zónder GAE?” Kortom, natuurlijk wordt van iedere burger verwacht dat hij/zij ‘noodzakelijke’ overlast in het maatschappelijk belang voor lief neemt. De kernvraag: ”Hoe groot is hier werkelijk het maatschappelijk belang?” wordt bij vraag 24 echter uit de weg gegaan.

Conclusies

  1. Uitgaande van de gebruikte vragenlijst en de beperkte gegevensanalyse kan men stellen dat het door GAE opgedragen “Attitudeonderzoek Groningen Airport Eelde” van de RuG/FEW ordentelijk is uitgevoerd; de economisch-wetenschappelijke relevantie van het onderzoek
    lijkt zeer gering.
  2. Blijkens het rapport is er geen onafhankelijke begeleidingscommissie geweest wier taak het was om de kwalititeit van onderzoek en verslaggeving te waarborgen. Aangenomen moet worden dat de onderzoeksopzet, de gebruikte vragenlijst, de gegevensanalyse en het eindverslag tot stand zijn gekomen in overleg tussen onderzoekers en opdrachtgever (GAE).
  3. In de toonzetting van het verslag alsook op diverse punten in de gebruikte vragenlijst klinkt opmerkelijk veel door van ‘his master’s voice’; zowel de lezer van het rapport alsook de respondent van de telefonische enquête worden/werden expliciet geconfronteerd met het GAE-standpunt over het nut van GAE en de wenselijkheid van baanverlenging.
  4. Niet uitgesloten kan worden dat het onderzoek feitelijk is gebaseerd op een ietwat selectieve steekproef van mensen die hun kortstondige medewerking aan de telefoon toezegden omdat ze al bij voorbaat sympathiek tegenover GAE staan of stonden. Een beschrijving van de zgn. non-response ontbreekt.
  5. Als gevolg van het ‘overval’-karakter en de korte duur van het telefonisch interview moesten diverse belangrijke attitudevragen door veel respondenten waarschijnlijk te snel worden beantwoord. Dit kan geen recht hebben gedaan aan de veelzijdigheid en de omvattendheid van de gestelde vragen.
  6. Het probleem bij de beantwoording van vragen inzake de noodzaak van GAE (no. 8 en 14) en de wenselijkheid van baanverlenging (no. 17 en 20) is dat de feitelijke gegevens en argumenten hieromtrent onduidelijk en/of discutabel zijn. Het is een significante omissie te noemen dat hierover geen mededelingen zijn gedaan aan respondenten.
  7. De attitudevragen over GAE en eventuele baanverlenging bergen het risico in zich van een neiging tot overmatig positief antwoorden, als gevolg van het met voorrang aangereikt krijgen van positieve antwoordmogelijkheden en een zekere sociale wenselijkheid om zich tegenover de onbekende enquêteur, zeker onder enige tijdsdruk, welwillend uit te drukken.
  8. Niet goed in te zien is waarom de houding van respondenten ten aanzien van GAE zou veranderen als gevolg van het verstrekken van enige gegevens over het huidige GAE. De veronderstelde attitudeverandering is (dan ook) niet of nauwelijks vastgesteld. Ook een veronderstelde attitudeverandering ten aanzien van eventuele baanverlenging op basis van “enkele feiten” vanuit GAE-standpunt daaromtrent werd niet of nauwelijks vastgesteld.
  9. Dat na beknopte informatieverstrekking geringe positieve veranderingen in de attitude t.a.v. GAE en de eventuele baanverlenging werden geregistreerd kan waarschijnlijk geheel worden toegeschreven aan de eerder genoemde positiviteitsneiging die door de enquête a.h.w. werd opgeroepen.
  10. De voorafgaand aan vraag 20 aan respondenten verstrekte informatie over de eventuele baanverlenging is onvolledig, twijfelachtig en deels misleidend. Daardoor kan die informatie slechts hebben bijgedragen tot het geven van een ongerechtvaardigd positief antwoord.
  11. Via analyses van samenhangen (correlatie- en/of meervoudige regressie-analyses) tussen gemeten variabelen had meer inzicht kunnen worden verkregen in mogelijke verklaringen voor positieve dan wel negatieve houdingen van respondenten ten opzichte van GAE en de eventuele baanverlenging. Nu blijft het resultatenverslag een eenvoudige beschrijvende aangelegenheid, waarbij niets wordt verklaard of voorspeld.

Betekenis van het RuG/FEW-onderzoek voor de (verdere) besluitvorming over GAE
In het kader van de lopende besluitvorming over de toekomst van GAE lijkt de betekenis van de onderzoeksresultaten - voorzover valide, betrouwbaar en representatief - zeer beperkt te zijn.
De probleemstelling (p. 5, eerder geciteerd) weerspiegelt slechts een klein deel van de luchthaven-problematiek. Een snelle telefonische enquête (“10 minuten”) bij 500 omwonenden van GAE kan geen recht doen aan de veelzijdigheid en omvattendheid van het besluitvormingsprobleem en gaat onvermijdelijk voorbij aan veel relevante gegevens en argumenten.
De uitgevoerde telefonische enquête is een momentopname anno 2006 rondom het huidige GAE, met zijn thans bescheiden geheel aan luchtvaartactiviteiten. De geregistreerde grotere tevredenheid met de woonomgeving en vermindering van de ervaren geluidsoverlast (in vgl. tot ‘TNO-1998’) kunnen zeer wel verband houden met het verminderd aantal vliegtuigbewegingen sinds circa 2000. Woontevredenheid en ervaren hinder zouden er na baanverlenging aanzienlijk ongunstiger uit kunnen komen te zien, wanneer voor de baanverlenging circa 50 hectare bijzonder Noord-Drents cultuurlandschap is geëgaliseerd en de beschikbare ‘geluidsruimte’ (volgens de – herziene – Aanwijzing-2006) geheel wordt ‘volgevlogen’.
Mede gezien de diverse tekortkomingen in het onderzoek lijkt er vooralsnog weinig grond voor de conclusie in het persbericht van GAE d.d. 2-10-2006 dat er een kentering plaats vindt in de houding van omwonenden ten aanzien van de luchthaven en de eventuele baanverlenging.
Tenslotte, dit RuG/FEW-rapport met de daarin opgenomen lijst van 27 enquêtevragen wekt de onmiskenbare indruk dat dit onderzoek, in opdracht van GAE en zonder onafhankelijke begeleidingscommissie, qua inhoud en toonzetting te zeer het stempel draagt van slechts één van de betrokken partijen in de besluitvorming over de toekomst van de luchthaven. Dit maakt dat de resultaten en conclusies slechts een beperkt en vertekend beeld kunnen geven van wat omwonenden van de luchthaven in werkelijkheid vinden van GAE, nu en straks, met of zonder baanverlenging.


Groningen, 10 oktober 2006
dr. C. A. J. Vlek
Em. hgl. omgevingspsychologie en besliskunde
Faculteit Gedrags- en Maatschappijwetenschappen
Rijksuniversiteit Groningen;
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken





 

 

 

 

 
< Vorige   Volgende >

spacer
© 2017 VOLE (Vereniging Omwonenden Luchthaven Eelde)
Joomla! is Free Software released under the GNU/GPL License.